Ze woonden al acht jaar op een woonboot aan de Prinsengracht, en Bas had al zes jaar een fantasie die hij alleen fluisterend durfde uit te spreken. Sanne had er lang om gelachen. Toen niet meer. Toen begon ze vragen te stellen. En op een avond in juni zei ze:
„Goed. Zaterdag. Ik regel alles. Jij krijgt de dekstoel.”
De gast
Hij heette Thijs, was zeiler en restaurateur van oude schepen, en Sanne had hem leren kennen toen hij hun roer kwam repareren. Ze hadden weken gepraat, eerlijk en zonder haast. Bas kende hem alleen van zijn handdruk op de kade.
Zaterdagavond zette Sanne de dekstoel naast het open luik boven de slaapkamer. Ze gaf Bas een deken en een glas jenever.
„Jij blijft hier zitten. Je komt niet naar beneden tenzij ik je roep. En als er iets is, voor wie van ons ook, zeg je tulp. Dan stopt alles.”
Door het luik
Het was een warme nacht. Boven de gracht hingen de lichtjes van de bruggen. Door het luik zag Bas een vierkant van zacht lamplicht, en daarin zijn vrouw, die af en toe omhoogkeek, recht in zijn ogen.
„Zie je me?”
„Ja.”
„Goed. Blijf kijken.”
Fietsers reden over de brug, niemand die iets doorhad. Dat maakte het nog spannender: de hele stad ging gewoon door, en hij zat op een dekstoel met zijn hart in zijn keel. Wat er onder dat luik gebeurde, blijft op de boot.
De ochtend
Thijs vertrok bij zonsopkomst, met een knikje naar Bas, bijna kameraadschappelijk. Sanne kwam naar boven in een oud overhemd van haar man en ging bij hem op schoot zitten, in de dekstoel die daar eigenlijk te klein voor was.
„Nu vertel je me alles”, zei ze. „Ook wat je niet hardop durft.”
Hij vertelde over de jaloezie, die kort was, en over iets anders dat bleef, warm en trots en een beetje verlegen.
Ze dronken koffie terwijl de rondvaartboten voorbijkwamen. De dekstoel staat nog steeds op het dek. Als Sanne hem ’s avonds bij het luik zet, weet Bas genoeg.



