Lotte zocht alleen een bandenplakset. Ruben was op zijn werk, het regende, haar band was lek. In zijn fietstas, onder een regenjas, zat een goedkope telefoon die ze nog nooit had gezien.
De pincode was 1987. Zijn geboortejaar. Ruben was nooit erg origineel geweest.
Een zekere „J.” Zeven maanden. Hotels in Zwolle, op dagen dat hij „met het team ging bowlen”.
Geen scène
Ze plakte haar band zelf. Fietste naar de supermarkt. Kookte stamppot. En toen Ruben thuiskwam, lag de telefoon naast zijn bord.
Hij werd grauw. Begon te praten, te smeken, te huilen. Lotte at rustig haar bord leeg.
„Ik ga niet weg”, zei ze daarna. „Dat zou te makkelijk voor je zijn. Maar we maken een nieuwe afspraak.”
De vrijkaart
Ze schreef het op de achterkant van een boodschappenlijstje.
Eén: je maakt het vandaag uit met J. Waar ik bij ben. Twee: ik krijg een vrijkaart. Eén avond per maand. Ik ga uit met wie ik wil. Drie: jij kookt, ruimt op en blijft wakker tot ik thuis ben.
Ruben tekende. Hij had geen keus, en dat wisten ze allebei.
De eerste avond
Lotte nam er de tijd voor. Een zwarte jurk die ze in jaren niet had gedragen, rode lippenstift. Ze maakte zich op in de badkamer met de deur open, zodat hij kon zien hoe zorgvuldig ze het deed.
„Wie is het?” vroeg hij.
„Dat hoor je als ik terug ben.”
Ze kwam om half drie thuis. De keuken was schoon, de vaatwasser draaide, en Ruben zat op de bank, klaarwakker. Ze had woede verwacht. In zijn ogen zag ze iets heel anders: verlangen, rauw en onbeholpen.
„Vertel”, zei hij.
Ze trok haar schoenen uit, ging naast hem zitten en vertelde. Alles. Langzaam.
Het boodschappenlijstje hangt nu op de koelkast, onder een magneet uit Texel. Elke maand zet Lotte er een kruisje bij. Ruben kookt die avonden altijd zijn beste gerecht. Hij zegt dat het uit schuldgevoel is. Lotte weet wel beter.



