Daan was vierendertig, accountant, en had zijn hele leven netjes gedaan wat er van hem verwacht werd. Behalve in zijn hoofd. Daar was hij al jaren ergens anders.
Een vriendin gaf hem het adres van een feest in een oud herenhuis in Den Haag. „Gewoon kijken”, zei ze. „Niemand dwingt je tot iets.”
Saskia
Binnen was het warm en schemerig. Mensen in leer en kant, zacht gepraat, kaarsen op de schoorsteenmantels. In een hoge fauteuil bij het raam zat een vrouw met kort blond haar, een strakke zwarte jurk en blote voeten. Om haar linkerenkel zat een lint van zwart fluweel.
Ze zag hem kijken. Ze wenkte niet. Ze wachtte gewoon tot hij uit zichzelf naar haar toe kwam.
„Eerste keer?”
„Is het zo duidelijk?”
„Het staat op je voorhoofd.” Ze glimlachte. „Ga zitten. Op de grond.”
Het lint
Ze heette Saskia. Ze vroeg hem een uur lang uit: wat hij zocht, waar hij bang voor was, wat absoluut niet. Ze luisterde zonder oordeel, en Daan merkte dat hij dingen zei die hij nog nooit hardop had gezegd.
Toen wees ze naar haar enkel.
„Dit is de regel. Het lint is de enige plek die je mag aanraken. Met je lippen, en alleen als ik het vraag. De rest bepaal ik.”
„En als ik wil stoppen?”
„Dan sta je op en zeg je fluweel. Dan is het voorbij, en niemand kijkt je raar aan. Dat beloof ik.”
De avond
Ze liet hem wachten. Ze liet hem knielen naast haar stoel terwijl ze met anderen praatte, alsof hij er niet was – en toch voelde hij haar aandacht als warmte op zijn huid. Eén keer, na een eeuwigheid, zei ze zacht: „Nu.”
Hij boog zich voorover en kuste het fluweel. Nooit eerder had zo weinig zoveel betekend. Wat er later in de achterkamer gebeurde, blijft in dat huis.
Om drie uur knoopte ze het lint los en legde het in zijn hand.
„Breng het volgende maand terug”, zei ze. „Als je durft.”
Hij durft. Het lint ligt in zijn bureaula op kantoor, tussen de belastingformulieren. Niemand weet het. Hij kijkt er elke dag naar.



